De Fed, de Amerikaanse centrale bank, maakt geld. Dat verandert natuurlijk in principe niet veel- als er meer geld is, wordt het gewoon minder waard. Maar een artikel in het wetenschappelijke blad PNAS van volgende week (gratis abstract) suggereert dat het echt zo makkelijk is als het klinkt: druk wat geld bij en je maakt mensen gelukkiger. Zelfs als de prijzen net zo hard meestijgen als hun ‘bijgedrukte’ inkomen.

Als je vraagt wat iemand liever heeft, (1) een beetje opslag zonder inflatie of (2) veel opslag met inflatie, kiezen de meesten voor optie 2, zelfs als ze met de eerste optie meer flatscreens zouden kunnen kopen. Economen noemen dat de geld-illusie. De ene helft van de economen gelooft er niet in, omdat mensen toch rationeel zijn; de andere helft verklaart er allerlei fenomenen mee, zoals de ‘bubble’ in de huizenmarkt.

Nu hebben Duitse neuroeconomen aangetoond dat de geld-illusie ‘echt bestaat’, nou ja, dat het fenomeen in de hersenen aanwijsbaar is. Ze lieten proefpersonen in een scanner punten verdienen met onnozele testjes. Sommige proefpersonen konden daarmee 50% meer verdienen dan anderen. De punten konden ingeruild worden tegen spullen uit catalogi: inderdaad, een goedkope en een dure. Het aanbod was dus precies hetzelfde, alleen in het ene geval 50% duurder. Dat wisten de proefpersonen ook zelf. Ze begrepen dat er geen verschil was. Toch waren de beloningscentra in de hersenen van mensen in de ‘dure’ categorie veel actiever, wat aangeeft dat die hoge bedragen echt ‘lekkerder’ voelden, ookal waren ze precies evenveel waard.

Laat die inflatie maar komen.