Vliegen zoeken nieuw huisVia een van de wetenschappelijke mailinglijsten waar ik op geabonneerd ben kreeg ik een mailtje over de adoptie van fruitvliegjes. Een bioloog zocht een nieuw huis (lab) voor zijn bijzondere vliegen. Genetici, ontwikkelingsbiologen, neurologen en evolutie-biologen werken graag met fruitvliegjes. Het handige van fruitvliegjes is dat je er zoveel van in het lab kan houden. Bij ons in het lab hebben we zeker 50 populaties, en in iedere populatie honderden van individuen – en wij zijn eigenlijk een kleine speler in de fruitvliegjes-wereld. De vliegen zijn makkelijk te verzorgen en te versturen aan andere laboratoria. Al honderd jaar geleden begonnen genetici met fruitvliegjes kruisingen te doen (zie hier voor een stuk (in het engels) over de geschiedenis van Drosophila onderzoek).

Inmiddels kunnen wetenschappers met de genen van fruitvliegjes echt toveren. Heb je bijvoorbeeld een vlieg nodig met een X chromosoom van soort A, en de rest van het genoom van soort B, met witte ogen, zonder gen x en lichtgevend groen op die plekken in het lijf waar gen y “aan” staat, dan kan zo’n vlieg door met een paar generaties kruisen zeker gemaakt worden. Door dit soort geknutsel op hoog niveau kunnen genetici heel precies het effect van genen en combinaties van genen achterhalen.

Een selectie experiment
Om meer te weten te komen over bepaalde complexe eigenschappen zoals droogte-resistentie worden soms selectie-experimenten gedaan met de fruitvliegjes. In het mailtje over de adoptie van vliegjes ging het om vliegjes die 88 generaties lang geselecteerd waren om tegen droogte te kunnen. Dat betekent dat de vliegjes steeds weer aan extreme droogte bloot werden gesteld. De onderzoekers lieten dan de vliegjes die lange droogteperiodes overleefden zich voortplanten en de volgende generatie werd gebruikt voor de volgende ronde van selectie. En steeds werden alleen de laatst overlevenden gebruikt voor de volgende generatie.

Na 88 generaties selectie, konden de vliegjes vier maal zo lang overleven in een droge omgeving als de normale vliegjes. Aan het einde van zo’n experiment kan je verschillende dingen bekijken: hoe snel paste de populatie zich aan? hoeveel genen waren betrokken? zijn er nog andere dingen veranderd aan de vliegjes?

Bruine ogen
De onderzoekers hebben meteen verschillende selectielijnen gemaakt. Ze hebben het selectieproces drie keer gedaan met normale vliegjes (met rode ogen) en twee keer met vliegjes met bruine ogen. Dat met de verschillende kleuren ogen is handig als je ze wilt laten paren met andere (normale, niet geselecteerde) vliegjes. Je kan dan steeds zien wie wie is.

En nu? De onderzoekers hebben de vliegjes onderzocht en hun resultaten gepubliceerd (zie hier). Maar ze vinden het zonde om deze speciale vliegjes zomaar weg te gooien. Ze hebben er tenslotte jaren lang werk aan gehad. En misschien wil iemand anders er nog wat mee doen. Daarom het berichtje. Wie wil onze vliegjes hebben? (hier is het mailtje)