Ik beeldde me het volgende in: veertien slapende baby’s liggen met mp3-speler en electrodes op hoofd en neus bed aan bed in een ziekenhuis in Boedapest. Hun moeders kijken met samengeknepen handen en trillende lippen toe hoe hun telgen de hoofdjes ritmisch heen en weer bewegen op 1530 slagwerkritmes die de mp3-speler doorgeeft. De conclusie: ritmegevoel is aangeboren.

Dit beeld zag ik voor mij bij bovenstaande foto uit NRC Next en bijbehorend artikel. Je kunt je afvragen of de baby’s last hebben gehad van de muziek, en misschien zelfs blijvende schade hebben opgelopen. Volgens mij zit dat wel goed; het gehoor van baby’s is gevoelig, maar daar hebben de onderzoekers vast rekening mee gehouden. Belangrijker is de of dit waardevol onderzoek is.  De conclusie is op zich bewonderendswaardig – ritmegevoel is aangeboren – maar twee dingen zitten me niet lekker. Ten eerste is er de bewijsvoering. Die bestaat uit de gemiddelde hersenactiviteit van 14 baby’s tijdens het spelen van een terugkerend patroon van hi-hat-, snaar-, en bastonen. 14 baby’s! Met een dergelijk aantal zou ik niet eens aan onderzoek beginnen.  De onderzoekers laten zien dat de baby’s gemiddeld sterk reageren op het ontbreken van de bastoon in het repeterende ritme.Gemiddeld, en dus waarschijnlijk niet allemaal. Als ik het artikel had mogen reviewen – het proces waarbij collega-wetenschappers artikelen beoordelen vóór publicatie – had ik graag de resultaten van de individuele baby’s gezien. En dan nog, wat gebeurt er als we nog eens 14 baby’s testen?

Mijn tweede bezwaar tegen dit onderzoek is wat algemener, en heeft te maken met de vraag: wat bereiken we hier eigenlijk mee? Als we de conclusie van de onderzoekers volgen, weten we nu dat ritmegevoel aangeboren is. Maar is het niet interessanter – zowel maatschappelijk als wetenschappelijk – te weten waar het ritmegevoel onstaat, en niet zozeer wanneer? Het vinden van de locatie en onderliggende factoren van ritmegevoel geeft veel meer inzicht in hersenprocessen, wat wetenschappelijk veel boeiender is. Bovendien maakt het vinden van de onderliggende factoren het mogelijk ritmegevoel te trainen, en daarmee gevoel voor muziek en taal. Daarin zit voer voor opvoeders.

Op basis van een zeer gering aantal gegevens, die vervolgens gemiddeld zijn, en waarvan de relevantie discutabel is, concluderen we: ritmegevoel is aangeboren. Boeiend, maar waar blijven de genen?