Een wereld vol met mensenDit is niet het eerste stuk op Sciencepalooza over onze aanwezigheid of afwezigheid op een witgestreepte, groenblauwe bol. Mensen en wat ze op aarde uitvreten heeft op dit moment een onmiskenbare aantrekkingskracht op uiteenlopend volk: van locale politici tot ex-vicepresidenten – man, ik ben net weer een beetje bijgekomen van de bangmakerij van Al Gore – en van stukjeschrijvers, tot boekenschrijvers. Ik wil het nu over een exemplaar uit de laatste categorie hebben. Een citaat om mee te beginnen:

“In zijn halvelingse kokende kop schuilt, behalve hier en daar wat snot, een 650 kubieke centimeter metende drek: hersenen, beveelheren van het neuken en het vreten. 650 kubieke centimeter pure levensvreugd, dat volume zou, jawel, zelfs nog wat groter mogen worden. Gaat dat?”

Dit is een redelijk typerende zin uit “Godverdomse dagen op een godverdomse bol” van Dimitri Verhulst. Hij omschrijft in dit boek in een zinderende, smerige stijl de menselijke geschiedenis van ontstaan tot de detonerende atoombom. Erg vrolijk is het allemaal niet, zwartgallig eigenlijk, en toch valt er hier en daar nog wat te grinniken. Om de gehele menselijke geschiedenis te beschrijven in zo’n 180 bladzijden moet je vrij rap uit de startblokken schieten en in een kleine 22 bladzijden is de mens – voortdurend aangeduid als ‘t – uit zee gekropen, op twee benen gaan staan en in de Egyptische beschaving geduikeld.

Het boek heeft me vermaakt en verbaasd en als bioloog vond ik de eerste 30 bladzijden zeer leuk om te lezen. Wetenschappelijk gezien zal er van alles op aan te merken zijn (in het bijzonder de doelgerichtheid van de menselijke aanpassingen), maar een geheel eigen, stijlrijke interpretatie is iets wat je zelden ziet binnen de wetenschap, zelfs al is deze flink naargeestig. Er kwamen allerlei onderwerpen voorbij die ik ken uit studie en interesse, beschreven op een manier die me weer deed nadenken. Niet verkeerd, lijkt me. Voorbeeldje:

“Maar het wordt warm. Te warm. De vruchten verdrogen en de bomen worden arm. Onder het zenit zet de hitte zich vast op zijn pels. Z’n rug lijkt wel te verschroeien. En om zich klein te maken voor de zon richt ‘t zich op. De snoodaard. Ziezo.”

Na bladzijde 30 heeft de biologie een wat minder prominente plek en is de eer logischerwijs voor de geschiedenis weggelegd, maar het blijft een bijzonder boek. Hier en daar wijst Verhulst nog even op een uitgestorven dier en raast dan weer door. Het einde van het boek geeft ons bij Sciencepalooza weer de mogelijkheid verder te bespreken hoe de wereld er zonder mensen uit zal zien. “Godverdomse dagen op een godverdomse bol” was slechts de proloog.