Deze week is een vriend met zijn promotieonderzoek begonnen op het academisch ziekenhuis waar ik zelf een aantal jaar op het lab heb gestaan. Hij is van het slag dat in tweeëneenhalf jaar kan promoveren. Ik weet dat nu bij sommigen het afgrijzen over de rug rilt, maar dat is onterecht; kom ik zo op terug. Zijn voortvarende promotie heeft hij niet te danken aan aanhoudende genialiteit – alhoewel hij die aandoening best mag hebben (ik zou het graag zien). Hij is arts.

Een arts als onderzoeker en de snelle promotie die daar vaak mee samengaat, wekt wel eens wrevel, lachlust of beide op bij anderen binnen de biomedische wetenschap. Vooral als ook nog het gebrek aan ervaring blijkt en de betreffende arts-onderzoeker simpele proeven laat mislukken, niet goed opruimt of veel basale begeleiding nodig heeft. Bij ons op de afdeling liep een arts rond die regelmatig te laat terug was om een DNA-gel te redden. Zijn patiëntenbezoek liet zich slecht timen. Hij werd er hartelijk om uitgelachen.

Ik beschouw die afkeer van arts-onderzoekers en hun korte promotietraject vooral als afgunst. Die titel waar ik me zo voor afbeul, wordt hen in de schoot geworpen, lijkt de gedachte. Volgens mij is dat niet de juiste benadering van de situatie. Die kun je beter gauw overboord zetten, want zij maakt ongelukkig en bitter. Een promotie van bioloog (biochemicus, chemicus, biofysicus, etc.) en arts bevinden zich in twee verschillende werelden die soms overlappen. En ongelukkigerwijs gebruiken de twee trajecten gelijke namen. Voor een bioloog is de promotie echter het begin van een carrière als wetenschapper, voor een arts is de promotie een tussenperiode buiten de (poli)kliniek, waar de arts kan ontdekken en laten zien, thuis te horen op een academisch ziekenhuis. Wetenschappelijke geïnteresseerdheid en betrokkenheid worden daar verwacht. Beide promovendi zijn dus met iets anders bezig, ook al noemen we het hetzelfde, en zullen in de toekomst zelden met elkaar (kunnen en willen) concurreren voor pak-em-beet een gewilde hoogleraarbaan.

Mijn punt: er is geen enkele reden voor wrevel en irritatie, maar er moet natuurlijk wel gelachen worden bij blunders. Domme fouten horen erbij en kunnen maar beter licht opgevat worden. Die vriend van mij gaat trouwens onderzoek doen aan hersentumoren bij kinderen. Behoorlijk fundamenteel onderzoek zelfs. Wie weet kom ik daar nog eens op terug, na zijn promotie in 2011.