Wie hebben we daar op het laboratorium?
Verschenen in Columns en Opinie, Nieuws
4 reacties
Deze week is een vriend met zijn promotieonderzoek begonnen op het academisch ziekenhuis waar ik zelf een aantal jaar op het lab heb gestaan. Hij is van het slag dat in tweeëneenhalf jaar kan promoveren. Ik weet dat nu bij sommigen het afgrijzen over de rug rilt, maar dat is onterecht; kom ik zo op terug. Zijn voortvarende promotie heeft hij niet te danken aan aanhoudende genialiteit – alhoewel hij die aandoening best mag hebben (ik zou het graag zien). Hij is arts.
Een arts als onderzoeker en de snelle promotie die daar vaak mee samengaat, wekt wel eens wrevel, lachlust of beide op bij anderen binnen de biomedische wetenschap. Vooral als ook nog het gebrek aan ervaring blijkt en de betreffende arts-onderzoeker simpele proeven laat mislukken, niet goed opruimt of veel basale begeleiding nodig heeft. Bij ons op de afdeling liep een arts rond die regelmatig te laat terug was om een DNA-gel te redden. Zijn patiëntenbezoek liet zich slecht timen. Hij werd er hartelijk om uitgelachen.
Ik beschouw die afkeer van arts-onderzoekers en hun korte promotietraject vooral als afgunst. Die titel waar ik me zo voor afbeul, wordt hen in de schoot geworpen, lijkt de gedachte. Volgens mij is dat niet de juiste benadering van de situatie. Die kun je beter gauw overboord zetten, want zij maakt ongelukkig en bitter. Een promotie van bioloog (biochemicus, chemicus, biofysicus, etc.) en arts bevinden zich in twee verschillende werelden die soms overlappen. En ongelukkigerwijs gebruiken de twee trajecten gelijke namen. Voor een bioloog is de promotie echter het begin van een carrière als wetenschapper, voor een arts is de promotie een tussenperiode buiten de (poli)kliniek, waar de arts kan ontdekken en laten zien, thuis te horen op een academisch ziekenhuis. Wetenschappelijke geïnteresseerdheid en betrokkenheid worden daar verwacht. Beide promovendi zijn dus met iets anders bezig, ook al noemen we het hetzelfde, en zullen in de toekomst zelden met elkaar (kunnen en willen) concurreren voor pak-em-beet een gewilde hoogleraarbaan.
Mijn punt: er is geen enkele reden voor wrevel en irritatie, maar er moet natuurlijk wel gelachen worden bij blunders. Domme fouten horen erbij en kunnen maar beter licht opgevat worden. Die vriend van mij gaat trouwens onderzoek doen aan hersentumoren bij kinderen. Behoorlijk fundamenteel onderzoek zelfs. Wie weet kom ik daar nog eens op terug, na zijn promotie in 2011.


Schrijf een reactie
Mark Geels




Favoriete stukken
08.11.2008
01:44
Werkoverleg heet dat
07.11.2008
20:51
Hey maar Niels. In die tijd dat wij koffiedrinken, lunchen en onze experimenten bespreken zitten jullie toch te flikflooien met de zusters van de afdeling?
07.11.2008
03:09
Beste Niels,
Bedankt voor je reactie. Je interpreteert mijn stuk anders dan ik voor ogen had. Het is mij meerdere malen opgevallen dat op labs soms wordt neergekeken op promoties van artsen. Niet altijd uiteraard, maar het gebeurt. Ik ken ook artsen die hier last van hebben gehad. Ik wilde een stukje schrijven om uit te leggen waarom ik dat onzinnig vind. Daarbij beweer ik niet dat artsen aan tweederangs wetenschap doen, maar wel dat promotietrajecten van 2,5 jaar een ander doel dienen voor de promovendus. Je suggereert dat iemand in 2,5 jaar kan, wat ook in 4 jaar kan. Daar ben ik het niet mee eens. Het is niet per se minder van kwaliteit, je kunt gewoon minder doen. Overigens zijn er genoeg artsen (AGIKO’s) die 4 jaar de tijd hebben om te promoveren, dus blijkbaar zien ze bij NWO ook een verschil. Ten slotte is de promotieperiode op een laboratorium wel degelijk een tussenperiode uit de polikliniek, zelfs al is het Nobelprijswaardig onderzoek. Een arts gaat daarna meestal grotendeels terug naar de kliniek. Ze blijven dan wetenschappelijk betrokken (op een academisch ziekenhuis vrijwel zeker) en publiceren misschien wel belangrijke artikelen, maar ze staan zelden op een laboratorium proeven te doen.
Over het uitlachen. Ik ben vaak genoeg uitgelachen na een of andere blunder, want domme fouten maken doet iedereen. Zoiets houdt de sfeer licht. Dat is een groot verschil tussen lab en kliniek, de consequentie van een blunder.
06.11.2008
23:55
Beste Yuri,
Wat een ontluisterend kijkje in de psyche van de gemiddelde “echte” biomedische wetenschapper bied je ons! Afgrijzen, wrevel, tjonge. Gelukkig is de conclusie van je stuk, dat het waarschijnlijk allemaal op afgunst berust. Er zijn alleen een aantal dingen die je toch nog niet hebt begrepen. Misschien moeten jullie toch eens wat vaker uit het lab naar buiten komen. Je suggereert dat de wetenschap die artsen bedrijven eigenlijk geen echte wetenschap is maar een soort tweederangs wetenschap en dat daarvoor andere normen gehanteerd zouden worden. Ik denk echter als we het bijvoorbeeld over een promotie hebben, een promotiecommissie vooral kijkt wat voor intellectuele arbeid er aan een proefschrift ten gronde ligt. Er staat niet voor niets Ph in PhD. Een dat een arts er dan soms maar 2,5 jaar over doet en een bioloog of chemicus 4 of 5 jaar, tsja….Misschien wat minder vaak koffiedrinken en lang lunchen? Verder denk ik zeker niet dat wetenschap alleen iets is wat een arts moet doen om zijn interesse te tonen en te mogen werken in een academisch ziekenhuis. Veel wetenschap wordt bedreven in perifere ziekenhuizen, vaak met beperkte middelen en naast een volledige klinische praktijk. En niet omdat het moet of verwacht wordt, maar omdat het LEUK is en een welkome intellectuele uitdaging naast het toch vooral praktische (maar ook prachtige) artsenvak. We zijn dus kortom allemaal met dezelfde wetenschap bezig.
Verder nodig ik je van harte uit om eens stage te komen lopen in de kliniek, kunnen wij ook eens lachen als jij voor de eerste keer naar iemands longen luistert of een ECG beoordeeld.
Niels
Chirurg in opleiding en promovendus