Op aarde zijn waarschijnlijk maar een handvol plekken waar helemaal niets leeft. Bovenop de Mount Everest is het te koud en midden in een vulkaan is het te heet. Verder kan ik zo snel geen andere plek bedenken. De rest van de aarde krioelt van het leven. Van bacteriën tot schimmels tot virussen tot planten tot dieren. Kortom, een enorme diversiteit.

Ik zat laatst te lunchen, toen m’n baas (Andy) me aansprak; of ik dat ene artikel had gelezen in het blad Science over een bacterie die ze in de grond hadden gevonden. We werken in het lab aan de ziekteverwekkende bacteriën Vibrio cholerae (veroorzaakt cholera) en Streptococcus pneumoniae (onder andere de veroorzaker van longontsteking en nekkramp) dus eigenlijk moet je als serieus bacterie-expert wel zo’n beetje alles lezen wat over bacteriën gaat ook al leeft het alleen in de grond. “Nou ja” zei ik, “ik hoorde er gister over en ik heb de eerste twee regels van de samenvatting gelezen, dus ja ik heb het zo’n beetje wel gelezen.” “Nee” zei Andy, “je moet het hele artikel even lezen! Het is echt mooi werk en zo goed geschreven, het is bijna poëzie.” “Nou, nou, poëzie” stamelde ik nog wat, “dat lijkt me sterk.” En ik beloofde het te zullen lezen.

Goed, dat was drie weken geleden. Gisterochtend in de metro van Central Square in Cambridge naar Downtown Crossing in Boston trok ik de Science met het bewuste artikel uit m’n jaszak. In een tijdsbestek van 4 haltes, ter waarde van $1.70, leerde ik alles wat ik ooit zou willen weten over de nieuw ontdekte bacterie Desulforudis audaxviator.

Het is een leuk artikel, vlot geschreven, geen overbodige informatie en het lijkt ook nog eens goede wetenschap. Wat ik het allerleukste vind van die bacterie is dat hij helemaal in z’n eentje op een compleet afgezonderde plek leeft. Daar kan ik geen ander voorbeeld van bedenken. Alle andere vormen van leven die we kennen, kunnen we alleen beschrijven door middel van de interacties die dat leven aangaat met ander leven. Wij mensen kunnen niet zonder de planten en andere dieren die we eten en de letterlijk miljarden bacteriën die op en in ons lichaam leven. Hetzelfde geldt voor de planten, insecten, bacteriën, virussen, bacteriofagen, schimmels en algen die onze aarde bevolken. Alles maakt gebruik van elkaar en zonder elkaar kunnen we niet leven.

Maar voor audaxviator is het allemaal anders. De bacterie leeft in Zuid-Afrika op bijna drie kilometer onder de grond, bij een temperatuur van zo’n 60 graden Celsius en hij leeft er helemaal alleen. Z’n eten verzamelt ie door organisch materiaal verder af te breken, maar dit is niet essentieel. De bacterie heeft allerlei mogelijkheden om uit anorganisch materiaal en zelfs uit afbraakproducten van uranium essentiële voedingsstoffen te halen. Er is één ding waar audaxviator niet van houdt en dat is te veel zuurstof, daar blijft ie dus verre van.

Vanmorgen fietste ik dezelfde afstand die ik gister met de metro aflegde naar het lab en moest ik denken aan het stuk dat Bregje laatst schreef over een wereld zonder mensen en de column van Gerard ‘t Hooft over leven op de Maan en op Mars. Audaxviator, met z’n solitaire levensstijl, zou heel goed het allerlaatste organisme op aarde kunnen zijn, lang nadat alles op aarde is uitgestorven. Misschien is er zelfs op Mars iets vergelijkbaars te vinden. Probleem is dat de Mars-rovers van nu maar enkele centimeters diep kunnen graven. Maar ook aan dat probleem wordt gewerkt. Vorige week sprak ik een vriendin die vertelde dat ze in haar lab op Harvard, werken aan projecten voor NASA. Het specifieke project dat ze me uitlegde is echt geweldig, maar daar kan ik op dit moment verder nog even niets over vertellen omdat dit stuk al te lang is geworden.

foto: Edward Burtynsky uit de documentaire 'Manufactured Landscapes'