Evolutiebiologie is helaas nog veel te vaak een beschrijvende wetenschap – met weinig voorspellingen en nog minder tests van voorspellingen. Hier is een mooie uitzondering. In 2003 voorspelden Michael Doebeli en Ulf Dieckman in een Nature artikel dat soortvorming vooral daar zou gebeuren waar de omgeving zich niet te snel, maar ook niet te langzaam verandert. Ole Seehausen en collega’s laten nu, weer in Nature, zien dat de voorspelling voor cichliden (zie plaatje) in het Victoriameer inderdaad klopt. De veranderende omgeving is in dit geval het licht in het water. Direct onder de oppervlakte van het water is het licht vooral blauw, maar dieper in het meer wordt het spectrum gedomineerd door langere golflengten, zoals geel en rood licht. Dit komt doordat het Victoriameer relatief troebel is.

Seehausen en zijn collega’s keken naar vissen bij vijf verschillende eilandjes in de Mwanza golf. Ze vonden dat bij de twee eilandjes met erg troebel water (waar de kleur van het licht heel snel verandert met de diepte) geen soortvorming had plaatsgevonden. Bij drie eilandjes waar het licht minder snel verandert had wel soortvorming plaatsgevonden. En elders in de Mwanza golf waar het licht heel langzaam verandert had ook weer geen soortvorming plaatsgevonden. Het past dus precies!
VictoriameerDe ligging van het Victoriameer in Oostafrika rood gekleurde cichliden en felgekeurde cichliden.
Daar waar soortvorming had plaatsgevonden leven nu twee soorten vissen langs de kust van het eiland. Steeds is er één soort die dieper leeft in rood-achtig licht, met aan rood licht aangepaste ogen, en met rood-gekleurde mannetjes. De andere soort leeft aan de oppervlakte, met aan een breed lichtspectrum aangepaste ogen en blauw-gekleurde mannetjes. Wat er precies voor heeft gezorgd dat de kleur van de mannetjes past bij de ogen van de vrouwtjes is onduidelijk. Bij de eilandjes met steile lichtgradienten is er wel variatie in de kleur van de mannetjes en in de ogen, maar er is veel minder variatie en er is geen indicatie dat de populatie zich daar in tweeën splitst.

Waarom soortvorming daar voorkomt waar het licht matig snel verandert verklaren de auteurs zo: hier komen de blauwe en de rode dieren elkaar net vaak genoeg tegen om een redelijke kans te lopen met elkaar te paren – wat in dit geval zou leiden tot onaangepaste nakomelingen – en dus is er selectie druk om niet met elkaar te paren en deze selectie druk kan tot actieve partnerkeuze en vervolgens soortvorming leiden. Bijde steilste gradienten zwemmen de vissen voortdurend in beide omgevingen, en vindt te weinig aanpassing plaats om tot soortvorming te kunnen leiden. Bij de langzaamste verandering van het licht ontstaat wel aanpassing, maar de vissen komen elkaar zo weinig tegen dat er bijna geen selectie druk is om verkeerde paring te voorkomen.

Vier van de auteurs van het artikel ken ik nog uit de tijd dat ik in Leiden werkte, maar inmiddels zijn ze over de wereld verspreid: Ole Seehausen zit al jaren in Zwitserland, Vicky Schneider werkt in Cambridge, Martine Maan in Austin (Texas) en Inke van der Sluijs in Montréal. In Leiden werd jarenlang mooi cichliden werk gedaan (mooi beschreven in Thijs Goldschmidt’s boek Darwins hofvijver), maar nu houden ze ermee op. De leidse professor Van Alphen zegt (hier) namelijk dat de soortvorming bij cichliden voldoende is opgelost. Ik weet niet of ik het daarmee eens ben, maar ik vind het cool dat een prof besluit een nieuwe richting op te gaan, in plaats van de teren op vroegere successen.